Een nieuwe koers in ruzie maken?

Als theoloog- mediator, ben ik gespitst op theologen die het over ruzie hebben. En dan zeker als oude churchmediator in het bijzonder binnen kerkelijk verband.  In het laatste nummer van het tijdschrift ‘De Nieuwe Koers’ (Nedag uitgevers Amersfoort, dec. 2020) kon ik mijn hart ophalen. Drie artikelen sprongen daarbij in het oog.

Met het oog op de hemel

Het artikel van Alain Verheij heeft als titel ‘ Ruzie zoeken is soms een heilige bezigheid’. Hij schrijft een soort in memoriam van de onlangs overleden opperrabbijn Jonathan Sacks.

Over Sacks wordt gemeld: Het is absoluut geen verkeerde zaak om het debat met elkaar aan te gaan, en dat debat zeer fel te voeren. Zelfs al is het tegen God. Het probleem is niet dat we van mening verschillen. Het probleem is hoe we dat doen. We moeten dat doen met het oog op de hemel, of anders gezegd: vanuit liefde voor de waarheid en Gods wereld en de medemens.’

Zo’n houding brengt dan met zich mee om af te zien van de claim op volle waarheid of je te verstoppen in je eigen bubbel. Het betekent juist je verdiepen in de positie van je opponent. En zijn motieven en drijfveren, voeg ik er maar aan toe.

De gekwetste mens is niet lelijk

Onder deze titel schrijft Sjoerd Wielenga over Nikolaas Sinbotin, een intrigerende Jezuïet. Sintobin:

“Een van de namen van de duivel, Lucifer, betekent lichtdrager. De duivel wordt dus drager van het licht genoemd. In de Bijbel wordt ‘het licht’ ook wel ‘de waarheid’ genoemd. De duivel zegt dus de waarheid. Jezus zegt ook de waarheid, maar Hij zegt het op zo’n manier dat de mens groeit, herstelt en geneest. De duivel zegt de waarheid op zo’n manier dat je kapot gemaakt wordt.”

En verder: “Als je woedend bent, zijn je inzichten en gedachten vaak heel juist. Maar als je ze dan meteen uitspreekt, is het effect destructief. Houd je mond”.

Het gaat er om die inzichten pas te delen als je rustig bent en in staat het liefdevol en beminnelijk te zeggen. ”Ik was zelfs eens woedend op een medebroeder, maar wachtte zes maanden voordat ik met hem in gesprek ging”.

Lachen met Gisbertus Voetius

Een andere insteek krijgen we bij het ‘commentaar kerk en theologie’ van Willem Maarten Dekker. Naar ik begreep -zoals hij zelf aangeeft- de man van de vrouw die zich ook wel Dekkerius noemt, maar verder heel gewone mensen zijn. NB: Voetius heette eigenlijk ook gewoon Voet.

Hij opent voor mij het vergezicht van lachen met Voetius, hetgeen nogal ver afstaat van de ernst van velen van zijn volgelingen. Dekker is eerst heel scherp over de houding van goed reformatorische gedisciplineerde jongeren die begrip opbrengen voor de aanval op Samuel Paty. Met zo’n spotprent vraag je toch om reactie, zoals een kort rokje om verkrachting vraagt. Dekker: “Ze hebben het hier lastig mee. Want de reformatorische en islamitische moraal komen grotendeels overeen, net als hun gevoeligheid ten aanzien van het spotten met Gods/Allah’s heiligheid.’” Dekker daarentegen komt met de ironie, sarcasme en spot van de oude Voetius. Voetius zegt dat God zelf ironie, sarcasme, spottende zinspelingen en verdraaien van woorden hanteert om de afgoden en de zondaren te bespotten. Zoals voorbeeld de drekgoden of keutelgoden in Ezechiël of Elia met zijn satire op de slapende Baal in zijn Carmel-optreden (Jullie god slaapt zeker. Iets harder roepen helpt misschien.)

Voetius schrijft over de spotschriften in zijn tijd op de roomse dwaalleer: “Zo’n spotschrift is prima, mits het de weerlegging van de valse theologie dient, de tegenstanders spot verdienen en niet op een andere manier tot luisteren gebracht kunnen worden en de auteur van het spotschrift zich niet altijd als een satiricus gedraagt, maar laat zien dat hij ook serieus kan zijn.”

Leren goed ruzie te maken.

Of de visie van Voetius in lijn is met ‘ruzie met oog op de hemel’ of van ‘de waarheid die doet groeien’ lijkt me een goede vraag. Maar hoe dan ook, dit is wel de tegenwoordig vaak opgevoerde zoetsappigheid van ‘ruzie-foei’ verre voorbij. Blijft dus de vraag met het oog waarop en dus de manier waarop we het best ruzie kunnen maken. zowel met betrekking tot korte rokjes als het verbod op blasfemie!

Vanuit mijn werk als mediator in een christelijke context denk ik weleens dat we het beter zouden moeten leren: goed ruzie maken in plaats van zoetsappig ruzie-foei of een hele strijd van puur venijn.

Cor Schaap, februari 2021

 

Bovenstaande is de persoonlijke mening van de auteur en behoeft niet de mening van het bestuur of de andere leden van PCM weer te geven